Beschouwing Prof. dr. P.H.A. Frissen
Thema LCB2010
Het politieke domein is een domein dat grenzen stelt. Het bepaalt de grenzen tussen publiek en privaat, tussen privaat en politiek, tussen publiek en politiek. Dat maakt al meteen duidelijk dat het politieke domein steeds ook zijn eigen grenzen stelt en daarin is het politieke domein uniek. Het politieke domein heeft de staat als belangrijkste institutie om deze grenzen zowel te stellen als te bewaken. Democratie en rechtsstaat zijn de beperkende kaders waarbinnen dat gebeurt.
Historisch gezien waren er in Nederland altijd stevige grenzen tussen de politiek en de andere domeinen. Dat had onder andere te maken met de overwegend particuliere organisatievormen van het publieke domein. De verzuiling kende een relatief kleine staat die veel, vooral ook normatieve kwesties, overliet aan de zuilen. De elites zorgden ervoor dat de zuilen niet met elkaar in conflict kwamen.
Dat is in de twintigste eeuw met de opbouw van de verzorgingsstaat ingrijpend veranderd. Maatschappelijke organisaties bleven weliswaar in organisatievorm privaat, maar werden in sturing, financiering en regulering sterk verstatelijkt. Het politieke domein ging zich steeds meer als eigenaar van het publieke domein beschouwen.
Daar kwam de maakbaarheidsideologie bij. Steeds werd het publieke domein gezien als een uitvoeringsorganisatie van politiek geformuleerd beleid, waarbij de samenleving in een politiek vastgestelde richting zou kunnen worden gestuurd. Daarmee werden de grenzen tussen het politieke en het publieke steeds dunner. Als dan bovendien organisaties in het publieke domein op het terrein van zorg, welzijn, cultuur en onderwijs ook steeds dieper in de privésfeer van burgers opereren, komt daarmee de staat steeds dichter bij die sfeer.
De aandacht voor veiligheid en de aandacht voor allerlei soorten risico’s is daar de afgelopen periode bij gekomen. Dat maakt dat vanuit het beleid met een gecombineerde inzet van maatschappelijke organisaties en organisaties op het gebied van politie en justitie steeds vaker en indringender achter de voordeur, onder het bed en tussen de oren wordt geïntervenieerd. Van de zorg voor gezonde voeding, tot voorkomen van huiselijk geweld, tot de ontwikkeling van een opvoedingscanon. In vele steden zijn interventieteams van gemengde samenstelling (publiek, politiek, privaat) actief.
De staat is een oppasstaat aan het worden. Dat is het thema van LCB 2010. Daarbij komen in een mooi programma de volgende onderwerpen aan bod:
Hoe verhoudt zich deze ontwikkeling tot de historische periode van de verzuiling? Waren er ook toen al voorbeelden van grensoverschrijding? Was de privésfeer toen beter beschermd? Of is het slechts een kwestie van verschuiving tussen particuliere en statelijke actoren?
Wat betekent deze ontwikkeling voor maatschappelijke verhoudingen? Zien we een afbraak of juist een voltooiing van de verzorgingsstaat? En wat vinden burgers van deze ingrepen in de privésfeer, aangezien ze in de netwerksamenleving toch al vaak minder op hun privacy lijken te letten?
Wat zijn de juridische consequenties? Beschermt het recht de burger nog wel voldoende? Of geeft het recht steeds meer juridisch genormeerde instrumenten aan de oppasstaat? Lopen we geen risico dat de overheid de binnenhuisarchitect van de Nederlanders wordt?
Prof. dr. P.H.A. Frissen











